Zwarte engelen en hemelse uitvoerders // 16 oktober 2014

Op donderdag zestien oktober stond met het alom geprezen quartet-lab het meest gehypet concert van het Festival van Vlaanderen op het programma. Reeds wekenlang sierden de profielfoto’s van Pekka Kuusisto, Patricia Kopatchinskaja, Lilli Maijala en Pieter Wispelwey het Leuvense straatbeeld. De PR-strategie van het festival had duidelijk zijn vruchten afgeworpen want het concert kende een ongeziene opkomst, die zelfs het ensemble Oxalys in 2012 voor Das lied vond der Erde niet gerealiseerd kreeg. Ik had dan ook torenhoge verwachtingen toen ik donderdagavond in het centraal auditorium van Gasthuisberg plaatsnam.

Het concert werd opgevat als een muzikale reis door de tijd, waarbij geopend werd met het Strijkkwartet nr. 4, opus 18 van Ludwig Van Beethoven. De keuze voor het vierde strijkkwartet is enigszins vreemd te noemen. Het werk past enerzijds niet echt in de filosofie van het festival, dat focust op werken uit de twintigste eeuw, maar is daarnaast ook één van Beethovens minder bekende werken. Hoewel dit werk voor de “overwegend conservatieve luisteraars” (zoals mijn collega van Klassiek Centraal het verwoordde) ongetwijfeld een aangename opener van de avond zal geweest zijn, was het voor ondergetekende eerder een noodzakelijke aanloop naar het échte werk. Zeker aangezien eerste violiste Kopatchinskaja, die nochtans de hemel ingeprezen wordt door de internationale muziekpers, niet altijd even zuiver haar partij afwerkte.

Gelukkig werd de ietwat valse start snel vergeten. De Three Madrigals van Tsjechisch componist Bohuslav Martinů werden gespeeld door het Finse duo Kuusisto/Maijala en vormden een eerste orgelpunt van de avond. Op de uitvoering van beide musici viel weinig tot niets aan te merken. Het Poco allegro werd met een ongelofelijke virtuositeit en aan een verschroeiend tempo afgewerkt wat de luisteraars met open mond deed nadenken over wat er ons in het Allegro nog te wachten stond. Toch was het vooral de aanstekelijkheid van violist Pekka Kuusisto en de chemie tussen beide uitvoerders die ervoor zorgde dat de toeschouwers een memorabele uitvoering van het werk van Martinů te horen kregen. Onder daverend applaus verlieten beide Finnen het podium om zich voor te bereiden op het slotwerk van de avond.

Voor het echter zo ver was, kregen we na de pauze eerst nog de andere helft van het kwartet te horen. Pieter Wispelwey, die eerder al voor het openingsconcert naar Leuven afgezakt was, bracht samen met Patricia Kopatchinskaja de Sonate voor viool en cello van Maurice Ravel. Een mooi voorproefje voor het slotconcert met deFilharmonie waar de Bolero en La Valse van dezelfde componist gebracht zullen worden. De Sonate voor viool en cello was de twee strijkers op het lijf geschreven, aangezien ze beiden voornamelijk als solisten bekend zijn. In het Allegro krijgen de twee uitvoerders namelijk twee zeer uiteenlopende partijen en lijken ze vaak eerder naast elkaar, dan wel met elkaar te spelen. In de daaropvolgende delen: Très Vif, Lent en Vif, avec entrain groeien de twee steeds dichter naar elkaar toe, waardoor Wispelwey en Kopatchinskaja als volwaardig duo het stuk afwerkten. De meer ingetogen speelstijl van de Moldavische kwam het werk ook ten goede. Door haar passionele bewegingen binnen de perken te houden, kregen we een veel zuiverder uitvoering te horen. De missers bij Beethoven waren bij deze vergeten en vergeven.

Het hoogtepunt van de avond kwam er met Black Angels van de Amerikaan George Crumb. De avant-gardecomponist staat bekend om zijn onorthodoxe benadering van het concept “strijkkwartet” en ook in dit werk werd quartet-lab uit de klassieke opstelling met twee violen, een altviool en een cello gehaald. De twee gongs en tafels met gevulde wijnglazen, die al heel het concert als voorbode op het podium stonden, werden tijdens Black Angels ingezet naast de vier strijkers. Niet alleen de uitbreiding van het instrumentarium van het kwartet, maar ook de verschillende speeltechnieken die het viertal hanteerde, hulden het centraal auditorium in een mysterieuze en zelfs lugubere sfeer. Het contrast met de impressionistische Ravel kon haast niet groter zijn. De uitvoering zelf was tevens van een ongeziene kwaliteit. Vooral Pekka Kuusisto leefde zich volledig in wanneer hij onheilspellend mocht beginnen tellen. Het kippenvel stond meermaals op mijn armen wanneer de uitvoerders met hun gevulde wijnglazen etherische klanken de aula instuurden en het kwartet toonde dat het niet alleen met hun eigen instrument maar ook met de vele uitstapjes geen enkel probleem had. De vier uitvoerders waren met dit werk hun status als solist verloren en toonden dat ze met z’n vieren een geweldig kwartet hebben opgericht. Ik hoop dat we hen in de toekomst nog dikwijls in de Belgische concertzalen mogen verwachten.

Door Jasper Croonen.

Dit artikel verscheen eerder op CLUB KULtuur.

Bookmark and Share

Post een reactie