Leuvens dialect voor allen, ook voor niet-Leuvenaars (Les 22)

MOP: DE CLOCHARD. In et Leives dialekt es da: DE KLOSJAAR

1. Deze morgen zat ik in de Gildenhof op een bank naast een clochard.

1. Deize mêrgend (mênt) zat ek in de Gillenof up en bank neffe ne klosjaar.

2. Hij zei zo tegen mij:

2. Oë zaa zue se, teige moë:

3. Vorige week had ik nog alles! Ik leefde als een rijke mens.Ik had een dak boven mijn hoofd en een kok bereidde mijn eten. Mijn kamer werd alle dagen gekuist en mijn klederen werden gewassen en gestreken.

3. “Verlê wieëk aa’k nog alles! Ik lieëfde gelak as ne roëke mins. Ik aa e dak bouve menne kop en ne kok prepareide men eite. Moën koomer wid allen dooge gekoist. Men klieëre widde gewassen en gestreike.

4. Waarop ik zei: “Wel maat, dat is zeer goed als je dat allemaaal hebt!”

4. Wooüp da ‘k zaa: “Awel moot, da’s noëg geud, as ge dat allemoo et!”

5. Jamaar, zei hij, het is nog niet gedaan! Ik had ook televisie, een computer met internet, ik had alles! En nu? Niets meer! Alles weg!”

5. “Jamoo”, zaat em, ” ‘t es nog ni gedon! ‘k Aa uek televieze, ‘k aa ne kompjoeter mei internet, ‘k aa den al! En naa? Niks ne mieë! Alles eweg!

6. Ik vroeg aan die arme sukkelaar:” Maar man toch! Wat is er u dan overkomen? Heb je drugs gepakt? Ben je op de verkeerde vrouw gevallen? Of ben je gaan gokken in het casino?”

6. Ik vreug on doënen êrme soekelieër: ” Moo mènne toch! Wat es er dan veigevalle? Edde drugs gepakt? Zedde up de verkieëde vraa gevalle? Of zedde gon speile in de kazino?”

7. Weet je wat hij mij antwoordde?

7. Wette wat em moë antwoudde?

8. Maar neen, mijnheer, zei hij, vorige dinsdag hebben ze mij uit de gevangenis vrijgelaten!”

8. ” Moo nieë menieër”, zaat’ em, “verlên destag emme ze me oeët et prezon gelost!”

Bookmark and Share

Post een reactie