Leuvens dialect voor allen, ook voor niet Leuvenaars (Les 36)

Om te begrijpen waarover het gaat, lees je eerst tien zinnetjes in het Nederlands.

MOP van een kippenkweker, een dame en champagne…

1. Een kippenkweker zit in een deftig café naast een dame en bestelt een glas champagne.

2. De vrouw heeft dat opgemerkt en spreekt hem aan: “Kijk nu eens, ik heb zojuist ook een glaasje champagne besteld!”

3. “Wat een toeval”, antwoordt de man, “want dit is en speciale dag voor mij. Ik heb immers iets te vieren!”

4. Waarop de vrouw repliceert: ” Voor mij is het ook een speciale dag en ik ben ook iets aan het vieren!”
En opnieuw de man:”Wat een toeval!”

5. Ze laten de glazen klinken en hij vraagt: ” En wat ben jij dan wel aan het vieren?”

6. “Wel, ik ga het u zeggen zie. Mijn halve trouwboek en ik proberen al zeer lang een kind te krijgen, en vandaag vertelde mijn dokter mij dat ik eindelijk zwanger ben.”

7. “Wat een toeval!” zegt de man, (nu al voor de derde keer). “Je moet weten, ik ben eigenlijk een kippenkweker. Jarenlang waren mijn kippen hun eieren onvruchtbaar, maar vandaag kreeg ik melding dat ze eindelijk bevruchte eieren beginnen leggen.”

8. Waarop de vrouw weer: “Dat is zeker goed nieuws! En hoe komt het dat uw kippen vruchtbaar geworden zijn?”

9. “Wel,” zegt de kippenkweker, “ik veranderde van haan.”

10. De vrouw verschiet lichtjes van kleur, lacht eens… en zegt: “Wat een toeval!”

En naa, dezèllefste mop, moo dan in ‘t Leives. Uek in tien zinnekes.

MOP van ne kiekewikker, een madam en sjampieter…

1. Ne kiekekwikker zit in nen deftege café neffen een madam en bestelt e glas sjampieter.

2. Doë vraa ieët da geremarkeid en ze sprekt em on:” Kik naa ne kieë, ik em justekes uek e glaske sjampieter besteld!”

3. “Wat e teuval!” antwoudt de man, “want deis es ne spesjoolen dag vei moë. Ik em emmes iet te viere!”

4. Wooüp de vraa replikeit: ” Vei moë es et uek ne spesjoolen dag, en ik zèn uek iet on ‘t viere!”
En upnief de vent: “Wat e teuval!”

5. Ze loote de glooze klinken en oë vroogt: “En wa zoëde dan wel on ‘t viere?”

6. “Awel, ‘k gon ‘t eu zê, se. Mennen alven traabuk en ik probeiren al ieël lank e kind te kroëge, en vandoog vertelde mennen doktour me da’k endeloëk in poziese zen!”

7. “Wat e teuval!” zieët doëne vent, (naa al vei den derde kieë). “Ge moet weite, ik zen oegentloëk ne kiekekwikker. Joorelank woore men kiekes un aare onvruchtboor, moo vandoog kreig ek toëding da ze endeloëk bevruchte aare beginne te lê.”

8. Wooüp de vraa wei: “Da’s zeikest geu nies! En eus kom et dat eu kiekes vruchtboor gewedde zen?”

9.”Awel” zieët de kiekekwikker, “ik zen van oon veranderd!”

10. De vraa versjit lichtekes van koleir, lacht es… en zieët: “Wat e teuval!”

Bookmark and Share

Post een reactie