Archief per auteur

The Sedan Vault + BRUTUS @ STUK 09/10

Jaren geleden, toen ondergetekende zijn tijd spendeerde in een slaperig stadje in de verste uithoek van Limburg, bereikten ons de tonen van The Sedan Vault, een Leuvens kabaalkwartet dat de kunst van de plotse songwisseling deftig onder de knie had. Voor hun eerste twee platen (‘Mardi Gras of the Sisypha’ en ‘Vanguard’) zijn wij godbetert nog op onze fiets gesprongen richting lokale bibliotheek. Een live-ervaring hadden we nooit mogen meemaken, en toen werd het ook nog eens akelig stil rond de groep. Tot gisterenavond gelukkig, toen de tot trio herleide groep de Labozaal van het STUK bestormde.

sedanvault
© Joeri Thiry

Als voorprogramma hadden ze de band BRUTUS meegebracht, een jong Leuvens trio dat sinds een dik jaar een spoor van vernieling en openvallende monden trekt doorheen het Belgische clubcircuit. Ze doen hun voordeel met stevige, scheve riffs, krakende baslijnen en vooral de drum- en zanglijnen van drumster Stefanie Mannaerts. Ook in het STUK speelde de band een ongelooflijk strakke set die geleidelijk aan steeds meer punch kreeg. Het publiek was misschien iets te terughoudend om van een maximale BRUTUS-ervaring te kunnen spreken, maar aan het enthousiasme van het trio zal het niet gelegen hebben. Zeker prijsbeest ‘Julia’, waarvoor ze versterking kregen van The Sedan Vault, deed het kunstencentrum op zijn grondvesten daveren. Waarschijnlijk is er ergens een theatervoorstelling danig verstoord.

Not that we care, want daarna was het de beurt aan de prog-rockende hoofdact. Ze bedankten BRUTUS vriendelijk, maar lieten direct blijken dat ze zich niet zomaar naar huis gingen laten spelen. Zanger Rutger Meeuwis stond schijnbaar onder stroom en liet deze energie zelden los terwijl hij zijn vocale kronkels op het publiek afvuurde. En jongens toch, wat kan die man zingen. Het was vooral hierdoor dat we aan The Mars Volta moesten denken, een band waarmee The Sedan Vault vroeger tot in den treure werd vergeleken. Deze set bestond echter grotendeels uit materiaal uit hun laatste plaat, ‘Minutes to Midnight’, dat een veel gestroomlijnder geluid laat horen. Live werd dit dan wel zeer efficiënt vertaald door de drie muzikanten waar de ervaring van afspatte, met momenten sloop de uniformiteit er toch een beetje in en kregen we de indruk dat The Sedan Vault veel gevaarlijker kon klinken. Dit vermoeden werd bevestigd door de razende afsluiter ‘Lo-fi’, dat er veel steviger inhakte door de versterking van BRUTUS en het bestormen van de zaal door de zanger. Gelukkig konden nieuwe nummers als ‘Streetwalkers’, ‘Fix me up’ en ‘Everyting is everything’ ons ook op eigen kracht over de streep trekken.

Het songmateriaal en de live-klasse van The Sedan Vault zijn dus nog altijd voldoende om een uur lang te kunnen boeien, ook na de ingrijpende veranderingen die de band heeft doorgemaakt, maar af en toe misten we een hoekje dat eraf mocht. Als dat op hun vierde terug het geval is, fietsen wij graag nog eens naar de bibliotheek.

Door Filip Tyskens.

Dit artikel verscheen eerder op CLUB KULtuur.

UUR KULtUUR: Geppetto & The Whales // 8 okt 2014

Wie? Geppetto & The Whales // Wat? OpeningsUUR KULtUUR concert // Waar? PDS Aula // Wanneer? 8 okt 2014

Er komt straf geluid uit de stille Noorderkempen, en dat hebben ze geweten in Leuven. Gisteren mochten de jonge snaken van Geppetto & The Whales een nieuw UUR KULtUUR jaar in gang trekken. Twee jaar na hun succesvolle passage op Humo’s Rock Rally is de zesdelige band uit het Antwerpse er nu met hun eerste full-album Heads of Woe. Leuven was meteen de laatste stop voor hun concert in de Ancienne Belgique op 18 oktober (allen daarheen!). In een feeëriek verlichte en rokerige setting namen Geppetto & The Whales het publiek mee op een vermakelijke, en soms wat weemoedige, boswandeling.

Meer bekende nummers zoals de geslaagde single Duquesne’s Horse openden het concert, en ook de grijsgedraaide klassieker-in-wording 1814 werd onthaald op menig hoofdknik van het studentenpubliek. Maar laat u niet misleiden, veel van hun andere nummers zijn een pak melancholischer dan je op het eerste zicht zou verwachten. De groep zocht hogere sferen op in Esther, you, dat begon in een intieme kampvuursfeer om dan aan te zwellen met elektrische gitaren. Halverwege de avond gaf Maxburg dan een psychedelische toets aan het optreden, en ook bij andere nummers waren de nodige geluidseffecten en gitaargalm nooit veraf. De bisnummers waren dan weer ingetogen en vormden een aangename afsluiter – om niet te zeggen slaapliedje, in de goede zin van het woord, welteverstaan – van een gezellige avond muziek.

Een klein puntje waar nog aan gewerkt kan worden zijn misschien de bindteksten, die niet altijd even verstaanbaar waren (noem het beroepsmisvorming van mijnentwege). Dat terzijde, wat we vooral onthouden is dat Geppetto & The Whales op hun best zijn bij de harmonieuze samenzang, en dat ze weten hoe ze een publiek kunnen bekoren met wondermooie melodieën op gitaar en banjo. De groep heeft al een stevige live-reputatie opgebouwd, en dat hebben ze gisteren nog eens mogen bevestigen in de PDS. Zelf leken ze er ook plezier aan te beleven, en eindigen deden ze dan ook met een buiging voor een naar eigen zeggen super publiek. Merci jongens voor een knaller van een openingsUUR KULtUUr, en bij deze krijgen jullie een welverdiende buiging terug van Leuven.

Zin in meer? Info over de volgende UUR KULtUUR evenementen vind je hier. Tot dan!

Door Marie Verleije.

Dit artikel verscheen eerder op CLUB KULtuur.

Lachen met de dood van Christus – 22 september 2014

Wie? Pieter Wispelwey en het Nieuw Ensemble o.l.v. Jurjen Hempel
Wat? Openingsconcert NOVECENTO
Waar? Aula Pieter De Somer

Traditiegetrouw trapt het festival van Vlaanderen zijn concertreeks NOVECENTO af op de eerste dag van het academiejaar. Ook dit jaar hadden de togati hun lange gewaden nog maar net gewisseld voor hun beste kostuum of aula Pieter De Somer liep opnieuw vol voor het concert met het Nieuw Ensemble en cellist Pieter Wispelwey. Het programma was opgesteld met het oog op de vijfhonderdste verjaardag van ons aller favoriete anatoom Andreas Vesalius die gedurende het hele academiejaar in de bloemetjes gezet zal worden.

Wispelwey kreeg de eer om met de Suite voor cello nr. 3 van Benjamin Britten het concert te openen. In het pikdonker en onder een beleefd applaus trad de Nederlandse cellist naar voren. Enerzijds was dat applaus wat jammer want zo ging een deel van het effect natuurlijk al verloren, maar anderzijds zit dat nu eenmaal in onze klassieke muziekcultuur ingebed. Typisch voor deze derde cellosuite zijn de verwijzingen naar het oeuvre van Johann Sebastian Bach. De aandachtige luisteraar merkte waarschijnlijk de citaten uit de Six suites for unaccompanied cello op, maar daarnaast wekt Britten, net als Bach, vaak de indruk dat er meerde cellisten aan het spelen zijn. Wispelwey toonde zich op alle vlakken meester van zijn instrument en deed het publiek met momenten twijfelen of er niet enkele van zijn collega’s stiekem in de coulissen meespeelden. Enig puntje van kritiek: De ingetogen cellosuite kwam niet volledig tot haar recht in de gigantische aula, maar voor een openingsconcert kan je natuurlijk moeilijk anders.

Daarna volgde Vesalii Icones van Peter Maxwell Davies. Ook een Brit en ook uit de twintigste eeuw maar daar houdt de vergelijking wel op. Hoewel de compositie gezien haar thematiek een logische keuze was, was ze dat op muzikaal vlak zeker niet. In zijn werk combineert Maxwell Davies namelijk op een briljante manier de 20ste-eeuwse toonspraak met invloeden uit het Gregoriaans, de jazz en (jawel) zelfs de popmuziek en voegt daar een stevige dosis humor aan toe. Zeker dat humoristische aspect bleek een zeer aparte belevenis te zijn, waar later op de avond nog menig gesprek over gevoerd werd.

Geruggesteund door een videokunstwerk van Peter Missotten, dat de liturgische context linkte aan de anatomische prenten van Vesalius, gidste het Nieuw Ensemble ons dus door de veertien delen van de kruisweg. Leuk idee die video maar echt een meerwaarde vond ik het nu ook niet bieden. In de eerste delen had de atonaliteit nog de bovenhand maar naarmate we dichter bij de dood van Christus kwamen kregen we steeds meer tonale invloeden te horen. Bij het laatste deel, The Resurrection – Antichrist, vroeg ik me zelfs af of ik niet per ongeluk het Depot was binnengewandeld. Daarnaast realiseerde het ensemble met behulp van een hoop onorthodoxe instrumenten (alles van een typemachine tot een blaasbalg  passeerde de revue) het humoristische aspect van de compositie en brachten ze de zaal meermaals luidop aan het lachen. Zelf behielden de leden van het ensemble een uitgestreken gezicht tot de laatste noot waarna ze breed lachend het slotapplaus meer dan terecht in ontvangst namen.

De overige NOVECENTO-concerten vinden plaats op 29 september en 1, 8, 14, 16 en 23 oktober. Tickets bestellen kan op de website van het Festival van Vlaanderen. Met een cultuurkaart krijgen studenten 50% korting op losse tickets en 60% bij aankoop van de NOVECENTO-pas.

Door Jasper Croonen

Dit artikel verscheen eerder op CLUB KULtuur.

Teun Verbruggen & Band op Leuven Jazz ’14 – 23 maart 2014

Wat: Teun Verbruggen nodigt uit – Steven Delannoye, Jean-Paul Estiévenart, Bram De Looze, Laurens Smets
Voorprogramma: Artur Tuznik Trio
Waar: Schouwburg Leuven

Zo ongeveer een eeuwigheid geleden (vorige week zondag), na een race tegen de tijd om mijn trein te halen en een blitsbezoek aan kot om mijn koffer achter te laten, begaf ik me naar de Schouwburg op de Bondgenotenlaan om het slotconcert van Leuven Jazz ’14 bij te wonen. Er hing een gezellig sfeertje. De foyer stond vol met keuvelende, voornamelijk dertigers en veertigers met een passie voor jazz. Ik – zelf zonder vrienden – zette me alvast in de zaal, want de Jazzmozaïekprijs werd uitgereikt aan een nergens te bespeuren Bert Joris en het voorprogramma, het Artur Tuznik Trio, ging de aftrap geven.

Fijne bende, dat Poolse trio. Piano, contrabas en drummer hadden het podiumplaatsje veroverd door vorig jaar Jazz Hoeilaart te winnen, en niet onterecht. Artur zelf kon nog wat beter werken aan zijn bindteksten, maar met zijn vingervlugheid zat het goed. Melodieën waren meeslepend en mysterieus, solo’s waren spannend en het sporadische geneurie of ge’woo’(!) deed vermoeden dat hij zich helemaal liet gaan. De contrabassist probeerde met boeiende solo’s iets meer spotlight te krijgen, maar dat bleek geen evidente taak voor dat instrument. De drummer ten slotte klonk bij momenten als een rammelende gereedschapskist of een drum circle bij een primitieve stam, maar ach, dat zal wel vernieuwing zijn. Net 23 jaar oud geworden, zat hij vol enthousiasme, wat resulteerde in een omvergedrumde snare en de micro die tegen de vlakte ging. Maar het moet gezegd, het trio ging zonder probleem van heel intiem naar hopeloos goedgemutst, en na een laatste houterige bindtekst kregen ze een dankbaar applaus.
Maar dan moest Teun Verbruggen nog beginnen natuurlijk.

Na een pauze – die extreem lang leek omdat ik wat alleen stond rond te dwalen – begon het hoofdprogramma. Teun Verbruggen had zijn homies uitgenodigd voor de gelegenheid. Saxofonist (en onze artist in residence!) Steven Delannoye zagen we eerder al in UUR KULtUUR optreden met zijn ensemble Delvitagroup XL. Dat zat dus wel goed. Ook piepjonge pianist Bram De Looze, contrabassist Laurens Smets en trompettist Jean-Paul Estiévenart waren welkome aanvullingen. Het ensemble, hoewel dus voor de gelegenheid bijeen geroepen, was verbazingwekkend goed op elkaar ingespeeld. Verbruggen glunderde om de geslaagde combinatie. Het optreden zelf was duidelijk veel strakker dan hun voorprogramma. Soms hoorden we groot geweld, soms was het ongelooflijk breekbaar, ook al speelden trompet en sax minutenlang achtereenvolgende kwinten. De vastberaden tred van de contrabassist matchte uitzonderlijk goed met de soms onwennige, jonge pianist, die maar op enkele plaatsen echt durfde doorspelen. Misschien was dat zijn tactiek, want op geen enkel moment klonk dit ensemble uit balans. Het publiek was enthousiast, de organisatie was enthousiast, en wees er maar zeker van dat Leuven Jazz volgend jaar aan hun derde run begint!

Interesse in jazz? Check zeker de jazzavonden op zondag in STUKcafé.

Door Claïs Lemmens

Dit artikel verscheen eerder op CLUB KULtuur.

Universitair Symfonisch Orkest – 3 april 2014

Wat: Lenteconcert van Universitair Symfonisch Orkest met soliste Anne Vandewalle
Waar: Pieter de Someraula, Leuven

Vier maand na hun Reisconcerten, stond het bijna zeventig koppen tellend USO opnieuw op het podium van de PDS. Een toegankelijk programma met Rossini, Rachmaninoff en Dvořák had verschillende mensen overtuigd. Voor we werden getrakteerd op al dat lekkers, kwam oud-vicerector van cultuur Mart Buekers de spotlight stelen om een zelfgeschreven gedicht voor te dragen. Bij momenten nogal zweverig, zette het alvast de toon voor een mooi concert.

De ouverture van Il Barbiere di Siviglia van Rossini deed tevens dienst als ‘ouverture’ van de avond. Het herkenbare deuntje (onder andere van de filmklassieker Sweeney Todd) was een publiekslieveling. Nochtans was het een (bijna letterlijke) valse start. De strijkers klonken bij momenten minder vol en vooral de solisten intoneerden jammer genoeg vaak te hoog of te laag. Cringeworthy. Gelukkig bleef het ritmisch strak, wat ook geen sinecure is, waren de talrijke versieringen perfect getimed en klonk het even bombastisch als gehoopt.

Het tweede pianoconcerto van Rachmaninoff was voor mij persoonlijk het meest geanticipeerde stuk van de avond. Ik hou van pianoconcerti, en zeker van Rachmaninoff. Toegegeven, het heeft niet dezelfde bravoure als het derde concerto, maar dit werk uit 1900 heeft alles om verliefd op te worden; nostalgie breed uitgesmeerd over alle delen, een boeiende afwisseling tussen piano en orkest, snelle trekjes en natuurlijk dat thema uit het tweede deel dat later schaamteloos gekopieerd werd in All by Myself van Eric Carmen en bij uitbreiding, Céline Dion. Het USO klonk in dit werk voller, strakker en wezenlijker. De breekbare pianoklanken van soliste Anne Vandewalle werd bij momenten opgeslorpt door het groot geweld van de muzikanten achter zich, maar dat mag soms ook wel in dit werk. Op verschillende momenten beoogt Rachmaninoff een soort ‘machtswissel’, waarbij de pianist grootmoedig een stapje opzij zet om fluit- en klarinetsolo’s een plaatsje in de spotlight te gunnen en een bescheiden begeleidingsrol op zich neemt. Vooral in het derde deel werd korte metten gemaakt met de valse nootjes van voordien. Er waren enkele gemiste inzetten, maar maestro Edmond Saveniers hield de teugels goed strak en zorgde dat het USO het concerto tot een goed einde bracht.

Na de pauze schotelden ze ons nog de Nieuwe Wereldsymfonie van Antonin Dvořák voor. Minder complex in emotie dan de achtste van Shostakovich van vorig semester, maar zonder twijfel ook geen gemakkelijk werk. Het USO had tevens de pauze goed benut door nog eens opnieuw te stemmen. De vier delen waren allemaal perfect afgewerkt, soms opwindend en overweldigend, dan weer breekbaar en intiem. Het begin van het tweede deel was zo gevoelig gebracht dat ik even vergat te knipperen. Mijn gezelschap zei dan weer: “Hé da’s precies Lord of the Rings.” Dus wel de moeite om eens op te zoeken. De eindpassage uit het laatste deel was zo imposant dat de PDS er te klein voor was.

Na de gewoonlijke lijst bedankingen verplichtte Edmond Saveniers ons om te blijven zitten – alsof we zouden weglopen in het midden van het concert?! – voor een laatste bisje. In zijn woorden: “Wie Leffe wil verdienen, moet zich eerst bewijzen bij het bisnummer!” En zo geschiedde.

Wie de andere universitaire ensembles nog graag in actie zou zien, kan op 30 april terecht voor het dubbelconcert van het UHO met zijn Gentse tegenhanger – weliswaar in Gent. Op 7 mei kunt u het lenteconcert van het Arenbergorkest gaan beluisteren, en een dagje later viert het LUK haar 45-jarig bestaan met een jubileumconcert in de Begijnhofkerk.

Door Claïs Lemmens

Dit artikel verscheen eerder op CLUB KULtuur.

Wachten op Godot aan de pokertafel – 19 maart

“Tagfish” is het eerste werk in de Horror Vacui-cyclus van het Antwerpse theatergezelschap Berlin. “De angst voor de leegte” verwijst in de filosofie naar de nood van de mens om oplossingen en antwoorden te vinden voor het nog onbeantwoorde, het onafgewerkte. Dit vacuüm wordt in “Tagfish”voorgesteld door een groot braakliggend industrieterrein in het Ruhrgebied. Die leegte willen enkele projectontwikkelaars op een nieuwe en hippe manier invullen om het tot een toeristische trekpleister te maken. Projectstrateeg Thomas Rempen beschrijft het proces als een eindeloos spelletje monopoly: koop hotels, trek kanskaarten, verlies al je geld, ga naar de gevangenis, kom terug en hop, weer een rondje. Alle betrokken partijen hebben ervaring met het opzetten van dit soort grote projecten. Om dit spel te voorkomen gaan ze op zoek naar één enkele investeerder, en komen in contact met een Saoedi-Arabische sjeik die geïnteresseerd blijkt om 120 miljoen in het project te pompen. Maar dit geglobaliseerde spel kent dan weer andere spelregels…

tagfish-3

De opzet van het stuk is eenvoudig: Berlin ging ter plaatse in Essen de 6 belangrijkste betrokken figuren interviewen, stuk voor stuk mensen die nog nooit allemaal tegelijk samen aan de vergadertafel hadden gezeten. In een theaterzaal zetten ze de opgenomen figuren voor de eerste keer wél samen in een fictieve vergadering. Dit gebeurt in een mooie, old-fashioned setting met een grote eikenhouten tafel en zeven stoelen met daarin zeven verticaal geplaatste flatscreens. Zes figuren oog in oog en de belangrijkste stoel leeg. De afwezige sjeik zal heel de voorstelling lang op zich laten wachten. En wachten.

Op Godot, zo blijkt. Terwijl de zes mannen met een blind vertrouwen in hun Saoudi-Arabische geldschieter wachten op het tekenen van het contract, loopt het project meer en meer vertraging op langs alle kanten. Strijd tussen ego’s, ingewikkelde besluitvormingsprocessen en oeverloos heen-en-weergewauwel. Het klinkt ons maar al te bekend in de oren. Ondertussen blijft de schaduw van de sjeik steeds aanwezig in de oppervlakkige conversaties en bepeinzingen van ons tafelgezelschap. Het is knap gedaan, hoe alle personages aan tafel apart zijn geïnterviewd maar het geheel zo gemonteerd is dat ze met elkaar lijken te converseren. Hun gesprekken worden op tijd sfeervol onderbroken door beelden van het industrieterrein waar een koor van ex-mijnwerkers doorheenwandelt. Of beelden waarin wereldvreemde bouwplannen genre “Als we nu een ondergronds hotel bouwen, dan hebben de mensen uit het raam het zicht dat de mijnwerkers hadden!” worden uitgeschetst. Dat werkt, want deze visioenen helpen om het wachten steeds aan de concrete setting van het troosteloze terrein te blijven vastkleven.

Voor mij is “Tagfish” een voorstelling die steeds op grenzen balanceert. De grens tussen noodzaak en twijfel, dromen en praktijk, rationaliteit en blind vertrouwen. Maar ook tussen aandacht en afdwalen, omdat de gesprekken zo inhoudsloos zijn. Je wordt zo gedwongen voortdurend over de ideeën die de voorstelling je aanreikt na te denken dat je dreigt te diep in gedachten te verzinken.  Ook de grens tussen realiteit en fictie wordt afgetast, als ik me op een bepaald moment door sommige uitspraken begin af te vragen of het niet kan dat er enkele acteurs in de “documentaire” meedoen om het geheel wat aan te dikken. De mechanisch bewegende voorwerpen op tafel, de Duitsers die elkaar onderbreken en alle onderlinge misverstanden zorgen voor een vleug humor die afsteekt tegenover de droge conversaties. De droge conversaties werken voor mij alleen omdat het verfrissend is dat ze plaatsvinden tussen TV-schermen aan een tafel. De voorstelling in zijn geheel werkt, zolang je actief blijft reflecteren over de boodschap die er achter zit en de vorm waarin ze is verpakt.

Tagfish is een pokerterm en omschrijft een speler aan tafel die de regels uitstekend kent maar geen risico’s neemt en zijn spel niet aanpast, waardoor hij een makkelijke prooi is voor zijn tegenspelers. Misschien verwijst ze hier naar de Duitsers die zich niet aanpassen aan het internationaal spel met de sjeik en de onderhandelingsgewoontes op het Arabisch Schiereiland. Misschien verwijst ze naar de sjeik, die niet weet waar hij aan begonnen is. Misschien verwijst ze naar het meisje dat achter me zat in de zaal en “dit geen theater” vond. Maar verwijzen naar Berlin doet de term allerminst. De voorstelling van Berlin durft risico’s nemen en is een doordachte meditatie over geërfde geschiedenis en op het verlammende effect van bureaucratie. Of hoe de romantische droom van een troosteloos gebied te doen herleven langzaam maar zeker plaats moet ruimen voor de teleurstelling van een “tijdelijke” parkeerplaats.

Door Ben Tanghe

Dit artikel verscheen eerder op CLUB KULtuur.

The Sore Losers @ Het Depot

Een van de grootste vergissingen die ik ooit heb gemaakt was een veel te dure festivalfriet verkiezen boven een optreden van The Raconteurs. Deze beslissing doet nog meer pijn nu blijkt dat Jack White dat zijprojectje laat voor wat het was: een oerdegelijke, ouderwetse rockgroep. Gelukkig loopt er in ons eigen land genoeg talent rond om die leegte te vullen en pakweg een Leuvense concertzaal vol te laten lopen. Aan de hand van voorgaande vergelijking kon u het al verwachten; The Sore Losers kwamen hun tweede plaat voorstellen in Het Depot.

Als voorprogramma hadden de Losers hun vrienden van De Staat meegebracht. Deze Nederlandse rockgroep (jazeker, zoiets bestaat) gaf enkele maanden geleden al een overtuigend concert in het café van Het Depot, en deed dat kunstje nog eens moeiteloos over in de grote zaal. Hun dansbare, hoekige rock palmde het toestromende publiek langzaam maar zeker in, met als uitschieters het denderende ‘Make Way For The Passenger’ en het kinderliedje-gone-evil ‘Old MacDonald Don’t Have No Farm No More’. De Staat heeft Belgische zieltjes gewonnen woensdagavond.

The Sore Losers zelf waren duidelijk tevreden dat ze opnieuw het podium op konden. Het excuus dat ze voor de huidige tournee gebruiken (de nieuwe plaat ‘Roslyn’) is zowel qua productie als songs een grote stap voorwaarts, en ook live stonden de nieuwe nummers als een huis. Dit viel natuurlijk wel enigszins te verwachten als een groep bestaat uit vier topmuzikanten die ieder hun eigen ‘momentje’ kregen. Gitarist Cedric Maes heeft aan een halve solo genoeg om eender welke collega zijn instrument in de haard te doen smijten, zanger Jan Straetemans zit er nooit niét recht op, bassist Kevin Maenen mocht zijn booster (én de fundamenten van Het Depot) testen in ‘Juvenile Heart Attack’ en drummer Alessio Di Turi speelde zelfs een ouderwetse dreun van een drumsolo. Denk echter niet dat de Losers een ‘musician’s band’ vormen, want temidden hun virtuositeit zijn ze niet vergeten hoe een radiovriendelijk rocknummer in mekaar zit. Bewijs hiervan is de laatste single ‘Working Overtime’, die al vroeg in de setlist zat. Maar het publiek hoefde niet overtuigd te worden door herkenbare nummers; de duidelijk doordachte set werd door iedereen gesmaakt. De beste songs van hun debuut (‘Your Smile, ‘Hollow Tree’, ‘Juvenile Heart Attack’ en stilletjes-aan-toch-wel-klassieker ‘Beyond Repair’) kregen hun plaats tussen een hele hoop nieuwe nummers. Er moest aan de ‘mursch’ (à la Cedric Maes) immers nog een plaat verkocht worden.

Was het een fenomenaal concert? Nee, daarvoor trokken sommige nummers zich net iets te lang en zat het geluid niet altijd even goed, maar The Sore Losers straalden wel van het speelplezier, wat een duidelijke weerklank kreeg van het publiek. We zijn blij dat een van onze béste rockgroepen (jep, ondanks hun naam hadden ze Humo’s Rockrally moeten wìnnen, verdomme!) terug is, en dat ze weten hoe een degelijk concert in mekaar zit. De volgende keer is die idiote Raconteurs-vergelijking aan het begin van een recensie zelfs niet meer nodig; The Sore Losers stààn er!


Foto’s door Stijn Van Minnebruggen

Voorstelling: Optreden The Sore Losers
Discipline: Muziek
Locatie: Het Depot
Wanneer: 19/03/2014

Door Filip Tyskens

Dit artikel verscheen eerder op CLUB KULtuur.

Goeroe van de open haard

Wie? William Fitzsimmons // Wat? Concert // Waar? Het Depot // Wanneer? 13.03.2014

william-fitzsimmons
(c) Andrew Snowball

Lente heeft nog maar net winters kuren de kop ingeduwd of het Depot rook weer eventjes naar hars en den. Voor een laatste keer dit seizoen dan… Maar dan echt een allerlaatste keer.

Heerschap van het noorderlicht, William Fitzsimmons, wist het Depot op geheel eigen wijze om te vormen tot de betere gemeenschappelijke huiskamer. Alles was voorhanden; baard (net iets langer dan die in je fantasie), second-hand shoes en overall. Kon dit mislopen? Geen denken aan. Hij ademde macrobiotisch, maar zijn klanken klonken als wind in een microkosmos. Zacht, helder en perfect. Pure intimiteit!

Toegegeven (en dat deed ie zelf ook, meermaals); de songs zijn niet bepaald van de meest vrolijke aard, laat staan dansbaar, maar vervelen deden ze op z’n minst niet. De band als geheel vormde een perfectie en de beperkte publieke opkomst kreeg waar en warmte voor zijn geld. Aanraken werd mogelijk bij het allerlaatste toemaatje, maar daar waren we net iets te schuchter voor, helaas.

William Fitzsimmons’ muziek is muziek voor de Einzelgänger of de liefde; zijn bescheidenheid, zelfrelativering en minimalisme komen tot verrijzenis in het medium dat in de wandeling wel eens muziek wordt genoemd. Een perfect einde van de donkerte; William keert allicht terug naar zijn berghut levend van tofoe en 2000-granenbrood, geborgen in een zomerslaap tot de eerste bladeren vallen.

Tot de volgende, Messias.

Door Maxim Nelis

Dit artikel verscheen eerder op CLUB KULtuur.